Sumatra – medan, jungle en lake toba

Vanuit KL hebben we een vlucht genomen naar .  Aangekomen in belandden we in een gekkenhuis. We zijn zowat de enige toeristen hier en elke taxi-, becak- (motorfiets met zijspan) of buschauffeur roept naar je of je met hem mee wilt. Het verkeer is chaotisch, met een getoeter van hier tot Tokio, maar op een of andere manier toch ook weer geordend. De mensen toeteren hier van achter om te laten weten dat ze gaan inhalen kwamen we later achter. was verder niet heel erg boeiend. Vooral heel druk en vol met uitlaatgassen.

We namen een becak naar het busstation, echt hilarisch. We pasten er maar net met zn tweetjes en 2 grote backpacken in. Op het busstation waren er weer allemaal chauffeurs die naar ons riepen en niet beleefd hoor (Hey! Mister! Come here!). Het was een puzzel om uit te zoeken welke bus we moesten hebben en natuurlijk vroegen ze overal veel te veel geld. Je moet hier flink afdingen, minstens tot de helft. Uiteindelijk was er een jongen die ons met een minibus naar zou brengen, maar later bleek dat hij heel andere plannen met ons had. Uitgekomen in een of andere steeg werden we gered door de toeter van een local bus die ons vroeg of we mee wilden voor 1,50 e omgerekend, dus stapten we gauw in. In de bus zaten nog 2 backpackers dus we waren enigzins opgelucht. De tocht naar duurde lang, want de wegen zijn hier erg slecht, maar gelukkig was het uitzicht erg belonend.  In de bus ontmoetten we een hele aardige  indo – zijn naam was Erwin nota bene – die later een gids in bleek te zijn, het plaatsje vanwaar er trektochten in de jungle worden georganiseerd. Na 3 uur kwamen we in aan, waar net een markt gaande was. Het stonk er wel een beetje, maar Erwin verteld dat dit afkomstig is van de rubberfabrikage. Erwin bracht ons naar de Eco Lodge waar we graag wilden verblijven. Alles is hier namelijk ecologisch, d.w.z. groenten uit eigen tuin, douchen met regenwater (wel koud dus) etc. We werden meteen al verwelkomd met een passievruchtdrankje. Echt, de mensen zijn hier zo aardig en ze zijn dol op Nederlanders! We boekten een 2 daagse trektocht met Erwin en gingen daarna wat eten in het dorp dat uitgestorven bleek te zijn. Door de overstroming hier een paar jaar geleden waardoor ruim 200 mensen zijn gestorven in 15 minuten, blijft het toerisme nu behoorlijk uit. ‘s Avonds ontmoetten we de gids met wie we morgen zouden trekken, omdat hij al drie andere gasten had, Ali G. Hij bleek heel aardig en leek erg op mowgli van Jungle Book, dus dat zat wel goed, dachten we.

De volgende dag gingen we de jungle in. We waren met een groep van 8, waaronder wijzelf, twee Canadezen en drie Engelsen. De tocht in de jungle was fantastisch. Ali, onze gids, wees ons op de bomen waaruit ze rubber en palmolie winnen en een aantal geneeskundige planten voor o.a. Malaria. Al vlug kwamen we een paar makaken tegen. Ze kwamen heel dichtbij wat echt heel erg bijzonder was. Even later kwamen we de eerste orang oetangs tegen. Het was echt fantastisch om deze dieren in hun eigen leefgebied te zien. Het bleek een familie te zijn van een vader, moeder en kind. Ze zaten hoog in de boom, in hun nesten, maar Amri, onze andere gids lokten ze met bananen naar beneden.  Voordat we verder gingen kregen we heel veel vers fruit voor energie, passievrucht, banaantjes en mandarijnen, echt heerlijk! Hoe verder we in de jungle gingen, hoe mooier het werd. Heel veel bijzondere grote bomen en prachtige planten. ‘s Middags aten we nasi die de gidsen verpakt hadden in bladeren en verse ananas.  Na deze boost konden we weer verder en al gauw kwamen we een paar zwarte gibbons tegen. Amri lokte ze weer met bananen en daarom konden we ze van dichtbij zien. Op een gegeven moment kwamen ze echter te dichtbij en moesten we gauw verder lopen. Alleen Amri moest heel lang wachten tot hij weer verder kon, want een aap blokkeerde zijn weg, waarschijnlijk omdat hij meer fruit wilde. Het laatste stuk van de tocht was vrij zwaar en glibberig, maar de gidsen begeleidden ons goed. We werden echter beloond met een moeder en baby orang oetangs vlak voor ons kamp. Toen we na een een tocht van ongeveer 13 km, aankwamen in het kamp namen we een verfrissende duik in de prachtige rivier waaraan het kamp lag. Even later gingen we eten. De kok had voor ons Ayam Smoor, Sambal Tempeh, curry groenten en rijst gemaakt, echt overheerlijk. ‘s Avonds speelden we Indonesische mind en trick spelletjes onder leiding van Olo, een hele aardige en grappige Indonesier. Het was echt supergezellig. We gingen redelijk vroeg slapen al duurde het lang voordat we in slaap vielen omdat het even wennen was om op de grond te slapen.

De volgende dag brachten de gidsen ons naar een super mooie waterval, echt fantastisch. Na daar even gezwommen te hebben, gingen we weer terug naar het kamp vanwaar we terug raftten naar het dorp. Onderweg kwamen we nog wat makaken tegen, waarvan twee ‘de daad’ bleken te doen, echt heel erg grappig. De jungle is zo mooi en ik kan iedereen aanraden daar een keer heen te gaan. ‘s Avonds hebben we gegeten in het hostel waar alle gidsen komen. We hebben lang gezeten met Ali en Rachel, een meisje uit Liverpool. Ali G heeft echt de hele tijd voor ons gezorgd en is het hele dorp rondgereden om te kijken of ze lempers hadden voor ons. Daarna hebben we met zijn allen met gitaar, djembe en veel bier muziek gemaakt tot laat in de nacht. De bataks blijken heel muzikaal en het was echt een heel leuke avond. Amri en Ali vertelde ons veel over hun leven hier. Ali heeft familieleden verloren bij de overstroming en Amri bleek vader van drie kinderen. Zijn oudste dochter studeert in Medan, maar voor z’n zoon had hij geen geld om te studeren. Het is heel bijzonder dat zij als vrouw studeert, maar ze had het geluk het eerste kind te zijn. Het is bijzonder om te zien hoe gelukkig hij was in de jungle, maar hij vertelde dat hij buiten het toeristenseizoen om moet werken in rubber- en rijstplantages om geld te verdienen. Het is heel bijzonder om zulke verhalen te horen en te zien hoe veel plezier ze hebben in de jungle en het maken van muziek en we gingen dan ook met een beetje tegenzin weg uit Bukit Lawang.

De volgende morgen vertrokken we naar . Eerst moesten we drie uur met de bus terug naar Medan, waar we werden afgezet bij het busstation. We moesten toen nog met de taxi naar het andere busstation vanwaar onze bus zou gaan. Er waren echter geen taxi’s, alleen maar opelets. Een opelet is ook een soort taxi, maar deze rijdt net zo lang door in de stad totdat hij vol zit en dan pas brengt hij iedereen weg. We moesten echter snel naar het busstation om de bus te halen aangezien we de ferry naar het eiland Samosir niet wilden missen, dus huurden we maar zo’n opelet voor ons alleen, wat uiteindelijk maar iets van 3,50 e kostte voor 10 km, dus niks om je druk over te maken. Op het andere busstation werden we helemaal gek van alle mensen die naar je roepen ‘Mister’ ‘Miss’ ‘How are you’ ‘Do you go to Bukit Lawang’ etc etc. Knettergek werd je er van dat iedereen naar je schreeuwt. Uiteindelijk stapte we in de bus die zogenaamd airco zou hebben. Nou mooi niet dus. Vlak voor we vertrokken kwam er een vrouw met een levende kip binnen zetten die ze waarschijnlijk vanavond ging opeten, echt bizar. Daarna kwamen alle verkopers binnen die je allemaal dezelfde dingen wilde aansmeren. Het was loeiheet in de bus, maar we moesten wachten tot de bus vol zat voor we vertrokken (een echte policy hier). Toen we eindelijk vertrokken waren we al doorweekt van het zweet en ik kan nou niet zeggen dat we supercomfortabel zaten. Nick kan ze benen bijna niet kwijt in deze Indonesische bussen. De reis duurde 5 uur en de bus raakte steeds voller en voller. Daar zaten we dan als enige toeristen, in een overvolle bus in de stikhitte, opeengepakt met andere Indonesiers. Op een gegeven moment ging het regenen en onze bus bleek alles behalve waterdicht. De regen kwam door het dak heen, maar niemand scheen zich hier iets van aan te trekken. In de bus ontmoetten we weer een aardige Indo, Ray, die bij de overheid werkte. Een superaardige man die ons toch wel 1,5 uur heeft vermaakt met verhalen. Volledig kapot aangekomen in Parapat kwamen we All en Becky tegen, de twee canadezen van de trektocht, echt toevallig. Het bleek dat er geen ferry meer ging en een man vroeg of we hier wilden blijven slapen en hij wees naar een of andere kakkerlakkentent. Mooi niet, dachten we en gingen eens vragen hoe het zat met de ferry. Op de ferry lag een half stuk van een dode koe. Deze ferry bleek nog wel te gaan en een of andere travel agent die daar ‘toevallig’ stond regelde voor ons dat we konden slapen in een hostel op Samosir. Gelukkig bleek de dode koe van de ferry af te gaan en konden we met een gerust hart naar de overkant. Daar werden we opgehaald door twee jongens die ons naar het hostel brachten. Het hostel bleek ver boven onze verwachting. We kregen een kamer voor 3,50 e pp aan het meer. In het hostel kwamen we Rachel uit Liverpool tegen. ‘s Avonds hebben we lekker Rendang gegeten en vielen we uitgeput in slaap. De volgende dag zaten we gezellig aan het ontbijt met Rachel, All en Becky. ‘s Middags huurden we een fiets en reden we naar tomok, een toeristenplek maar zonder toeristen. Heel het eiland lijdt onder het achterblijvende toerisme en het is echt raar om te zien dat er zoveel souvenir shops zijn voor zo weinig toeristen. In Tomok hebben we het graf van de koningen bekeken. Ze hebben hier ware praalgraven in de vorm van een huis, soms bijna zo groot als een kamer van een huis in Nederland. We hebben net genoten van de zonsondergang op het fantastische meer en gaan nu even wat eten.

Tot de volgende post en hopelijk gaat het goed met iedereen! Wij leven nog!!!