’s ochtends hebben we lekker een beetje uitgerust en geinternet, want we konden nog niet weg omdat Santi’s man een auto van vrienden ging proberen te regelen. We besloten hier nog een nacht te blijven slapen op uitnodiging van Santi. Even later kwam haar man terug met het bericht dat de ‘meid’ weg was met de auto, dus dat ze geen auto konden lenen. Dus gingen we met hun eigen auto de stad in. Zo lang we maar voorzichtig reden en geen lampen gebruikten zou het goed moeten gaan. In Semarang hebben we gezocht naar de huizen waar Nick’s oma heeft gewoond. Behalve het laatste huis waar ze heeft gewoond, konden we de andere huizen niet vinden. De stad is heel erg veranderd en veel groter geworden, maar ook bestaan sommige huizen niet meer omdat ze bijvoorbeeld verwoest zijn door brand. Toch kregen we wel een indruk van de buurt waarin oma heeft gewoond, dus dat was erg leuk. Alhoewel ook Semarang een beetje ten onder is gegaan door de industrializatie, kun je wel goed zien dat dit vroeger een ontzettend mooie stad heeft moeten zijn met brede lanen en koloniale gebouwen. Overigens hebben ze hier een groot probleem met de afwatering, waardoor delen van de stad voortdurend blank staan. Ze willen nu een ingenieur uit Nederland laten komen om het te verhelpen, wat wel weer een grappig detail is. Na de buurten van oma bezocht te hebben wilden we nog naar haar geboortedorp, maar toen hield de auto er mee op. We hadden al een paar keer moeten duwen, maar nu was het echt afgelopen. Met een opelet sleepten we de auto naar het servicecentrum vlak bij Santi’s huis en gingen vanuit daar verder met de bus wat nog een hele andere ervaring was dan de bussen van voorheen. De kleine minibus waar we in moesten stappen was stampvol en bovendien veel te laag, waardoor wij als grote Nederlanders er niet rechtop konden staan. In indonesie kennen ze trouwens geen bussen die vol zijn. Hier geldt gewoon: proppen, proppen, proppen, met als gevolg dat we gebukt en hutjemutje tergend langzaam naar hun huis reden. Voor de Indonesische mensen in de bus vast een heel grappig gezicht. ’s Avonds gingen we bij hen in de buurt Bebek (eend) eten. Het valt wel op dat veel mensen hier weinig groenten eten, omdat het dus niet zo speciaal is en dat terwijl wij zulke grote groentenliefhebbers zijn. Teruggekomen in Santi’s huis kregen we wat foto’s te zien van de verjaardagen van Santi’s dochter en foto’s van hun tradionele bruiloft die heel erg mooi waren. In de fotoboeken van Santi’s dochter viel vooral de manier van vieren heel erg op. Alle kinderfeestjes worden gehouden of in KFC of Mc Donalds en dan wordt gewoon de hele klas uitgenodigd. Er wordt een grote taart besteld met de mooiste versieringen, soms staat heel Disney Land op de taart!
De volgende dag namen we vroeg afscheid van Santi, haar man en haar dochter. Het was een ontzettend leuke belevenis om eens bij een Indonesisch gezin te slapen. 1 ding is zeker: de meeste Indonesiers zijn super gastvrij. Met de bus gingen we weer richting Semarang waar we verder gingen in de taxi naar ons hotel. Vanuit daar gingen we langs het postkantoor om onze souveniers op de post te doen, maar dat kon niet omdat alles dicht was vanwege het aankomende suikerfeest. We namen toen maar een opelet naar tante Winnie die – zoals we gister al van Santi hadden begrepen – tegenover het straattentje woonde waar we de eerste dag sate hadden gegeten. Ze woonde in een drukke straat, maar eenmaal door de poorten kwamen we in een mooi en net huis. Tante Winnie was ontzettend aardig en we werden ontzettend verwend met allerlei lekkernijen uit de bakkerij. Zij bleek samen met haar man vroeger ook een bakkerij te hebben. Het was een leuke ervaring om een huishouden met ‘meid’ te zien. Rond een uur of 12 bracht Winnie ons naar ons hotel en daarna naar de mall, wat een hele kunst van haar was gezien het drukke verkeer van Semarang. In de mall waren we gauw uitgekeken en namen een opelet naar de straat waar een internetcafe zou zitten die niet meer bleek te bestaan. ’s Avonds aten we eerst een sateetje bij onze vriend en daarna gingen we naar een restaurant uit de lonely planet die – niet heel verwonderlijk – niet meer bleek te bestaan. Handig zo’n lonely planet! We hebben uiteindelijk in een restaurant met z’n 2en alleen maar groenten zitten eten, iets wat de mensen in het restaurant maar raar vonden. Geen sate? ’s Avonds gingen we nog naar een Wayang Orang voorstelling. Die zou om 7 uur beginnen, maar begon uiteindelijk om 9 uur. Desalnietemin hebben we ons kostelijk vermaakt, daar we achter de coulissen mochten kijken naar de spelers die zich aan het opmaken waren. We ontmoette een meisje die lid was van een of andere cultuurvereniging en zi j maakte mij ‘the special guest of the evening’, met als gevolg dat we achter de coulissen mochten meekijken naar de show, op de foto mochten met de spelers en gratis mierzoete koffie kregen. Ze waren zo blij dat er gasten uit het buitenland waren dat we zelfs werden vernoemd in de show. Niet dat wij iets van hun grappen begrepen, maar uit de blikken vanuit de zaal en de woorden ‘Bibi’ en ‘belanda’ konden we wel opmaken dat het over ons ging. Het meisje vertelde dat maar zo weinig Indonesische kinderen nog wat weten over de cultuur en dat de voorstellingen niet meer zo goed bezocht worden dat ze ontzettend veel energie kregen toen ze hoorden dat er toeristen in de zaal zaten. Wat een hartzeer krijg je daar toch van! Ik hoop maar dat door veel initiatieven de cultuur weer wat belangrijker wordt in Indonesie. Na de show werden we nog terug gebracht door de zoon van een man die ook bij de show aanwezig was. Toen hij hoorde waar ons hotel was, moesten we meteen bij hem in de auto stappen, want dat was een ‘gevaarlijke buurt’, alleen maar ‘bad guys’ en mensen van lagere klassen. Wij stapten dus maar in en kregen zo een gratis lift terug naar ons hotel, waar we uitgeput in slaap vielen. Alhoewel Semarang niet veel te bieden heeft voor toeristen, waren het bijzondere 3 dagen in de ‘hometown’ van oma met de ontmoeting van een Indonesisch gezin en tante Winnie.

























































